944 Uitspraken van den Raad voor de Scheepvaart, (Red. opgenomen in “de Zee” uitgave 1916)
Het stranden van den motorlogger „Johanna” YM. 290.
De motorlogger „Johanna” YM. 290 is op 14 October 1916 op de Vliehors gestrand, waarbij de bemanning van 15 personen is verdronken.
Na een gehouden voorloopig onderzoek door de Scheepvaartinspectie in het IVde district, besliste een Commissie uit den Raad voor de Scheepvaart, dat, in overeenstemming met het voorstel van den Hoofdinspecteur, de Raad een nader onderzoek zou instellen naar de vermoedelijke oorzaak van deze ramp. ne behandeling had plaats ter openbare zitting
van 31 October 1916; als getuige hoorde de Raad Pieter Visser, walschipper, wonende te IJmuiden.
De Raad nam voorts kennis van de briefwisseling tusschen de reederij en de Scheepvaartinspectie omtrent deze ramp, van het journaal van de „YM. 290″, .alsmede van het desbetreffend rapport van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij.
Uit een en ander is het navolgende gebleken:
De motorlogger „Johanna” YM. 290, toebehoorende aan de te IJmuiden gevestigde Naaml. Venn. Stoomtrawler-Reederij. Directeur Jan Visser Hzn.,
is op 14 September 1916 van 1Jmuiden vertrokken ter visscherij op de Noordzee, bemand met 15 personen.
Op 14 October 1916 kreeg te 7.40 voormiddags de plaatselijke Commissie der Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij te Vlieland bericht dat een schip op de Vliehors gestrand was. Ontniddelljjk werd met reddingboot en vuurpijlwagen naar de strandingplaats gereden en zag men den haringlogger „Johanna” YM. 290 op korten afstand van
den wal zitten. De sloep en twee lijken lagen in de nabijheid. Een der leden van de k?ernanning der reddingboot begaf zich aan boord doch vond daar niemand weer. Het schip had niet geleden en blijkbaar geen water overgekregen daar nog leege manden aan dek lagen. Later werden nog zeven lijken gevonden die alien wonders vertoonden. Van
een hunner was de voet afgerukt en aan zijn hoofd was een wond. Deze man was, volgens het oordeel van den geneesheer die de lijkschouwing verrichtte, niet verdronken doch op andere wijze om het leven gekomen. De acht anderen waren verdronken.
Bij een nader onderzoek door den walsehipper der reederij ingesteld aan boord, bleek het schip geheel onbeschadigd, de motor was in goeden toestand en stond op vooruit. In de machinekamer stond een emmer met zeepsop waaruit blijkbaar geen water was gestort. Een stuk van de vanglijn van de boot zat in de vingerling van het roer boven de schroef. Aan de boot die onderstboven was aangespoeld, was een stuk van de vanglijn welke blijkbaar was afgebroken. De Steven van de boot was geheel ontzet Alle zwemvesten waren nog aan boord in de daarvoor bestemde plaatsen.
In den nacht van 13 October heeft de „Johanna” YM 290 de „YM. 207″ gepraaid. De schepen lagen Zuid voor. De „YM. 290″ met alle zeilen op en den motor werkende voer de „YM. 207″ voorbij. Na eenigen tijd draaide de „YM. 207″ door den wind en koerste N.W. t. W., men heeft toen de „YM 290″ niet meer gezien en ook geen noodseinen waargenomen.
Het was lien nacht goed gezicht. De Raad vermag, nu de geheele bemanning van de „Johanna” YM. 290 om het leven is gekomen, de oorzaak der stranding bij gebrek aan gegevens,
niet met zekerheid vaststellen. Vermoedelijk is het schip met volle vaart aan den grond gestooten en heeft de bemanning zich in de boot willen redden. De machine is blijkbaar blijven draaien en is de vanglijn van de boot in de schroef gekomen, de boot daardoor tegen het schip onklaar geraakt en waarschijnlijk omgeslagen. De bemanning is daardoor te water geraakt en omgekomen, waarbij enkelen waarschijnlijk met de schroef in aanraking zijn gekomen.
Ook deze scheepsramp had, naar ’s Raads meening, voorkomen kunnen worden, wanneer de kustlichten hadden gebrand.
Aldus uitgesproken door den Voorzitter ter openbare zitting van 6 November 1916.
